Een Nederlandse transgender geschiedenis

De laatste jaren is er veel aandacht voor transgender mensen. Die aandacht lijkt uit de lucht te komen vallen, net als de stijgende aantallen trans mensen die uit de kast komen. Het is soms alsof zich, binnen een paar jaar, een bliksemsnel emancipatieproces voltrekt. Maar dat is schijn. De juridische, medische en sociale verworvenheden van trans mensen zijn de uitkomst van een veel langer emancipatieproces, dat kort na de Tweede Wereldoorlog is begonnen. In andere landen bestaat al de nodige literatuur over dit proces. Zo schreef de historica Susan Stryker in haar boek Transgender History (2008) over de geschiedenis van transgender emancipatie in de VS, en voor Frankrijk is dit proces in kaart gebracht door Maxime Foerster in Elle ou lui ? (2012). Voor Nederland waren er tot voor kort een paar historische documentaires en een zee aan egodocumenten, maar nog geen volledige geschiedenis, dus vanaf het moment, vorig jaar, dat ik hoorde dat Alex Bakker bezig was met een Nederlandse transgender geschiedenis, brandde ik al van nieuwsgierigheid om zijn bevindingen te lezen.

In januari van dit jaar verscheen dan eindelijk Transgender in Nederland. Een buitengewone geschiedenis. Bakker is de aangewezen persoon om dit verhaal te vertellen. Niet alleen is hij historicus, maar ook trans man en auteur van het autobiografische Mijn valse verleden (2014), waarin zijn trans zijn een sleutelrol speelt. Hij houdt zich ook al langer bezig met trans geschiedenis. Zo werkte hij mee aan de documentaire Transgender Pioniers (2013) en gaf hij lezingen over het onderwerp.

Transgender in Nederland begint in de jaren vijftig, met het nieuws over de transitie van Christine Jorgensen. Dat roept natuurlijk de vraag op of er dan niets bekend is over trans personen in Nederland voor 1952. Zij waren er ongetwijfeld, maar zaten diep in de kast en waren geïsoleerd. Alleen via de schaarse bewaarde archieven en de publicaties van artsen als Magnus Hirschfeld kun je een glimp krijgen van deze transseksuele mensen avant la lettre. Zo kwam ik via het werk van de Hirschfeld-kenner Rainer Herrn op het spoor van een opmerkelijk artikel uit 1911 in het Duitse medische tijdschrift Sexualprobleme. Daarin beschrijven twee artsen een Nederlandse patiënt die kennelijk had geprobeerd om zichzelf te castreren en al eerder vreemde klachten had gehad waarbij lucht onder de huid in de borststreek terecht was gekomen. De (volkomen lucide) patiënt wilde niet uitleggen hoe de vork in de steel zat, maar bij navraag bij de echtgenote van de patiënt bleek dat deze vaak vrouwenkleding droeg en ook onder behandeling was bij een andere arts, een bekende van de auteurs. Misschien is dit wel het oudste gedocumenteerde geval van transseksualiteit in Nederland.

pas met de transitie van Jorgensen ontsnappen transseksuele mensen aan de status van medisch curiosum

Hoe fascinerend (en tragisch!) zo’n oude casus ook is, pas met de transitie van Jorgensen ontsnappen transseksuele mensen aan de status van medisch curiosum, veilig opgeborgen in de vakliteratuur. Nederlandse trans mensen worden zich nu bewust van het feit dat ze niet de enigen zijn en beginnen zich langzaamaan als groep te zien. Het is dan ook pas in de jaren vijftig dat, met het zichtbaar worden van deze groep, een begin gemaakt wordt met transgenderzorg in Nederland. Het is dus niet zo vreemd om de geschiedenis hier te laten beginnen, zoals Bakker doet. Bovendien is er vermoedelijk verder heel weinig over Nederlandse trans mensen voor de Tweede Wereldoorlog te vinden.

Dat begin in de jaren vijftig blijft ondertussen sterk gekleurd door medische discussies; de geschiedenis van trans mensen en de geschiedenis van de transgenderzorg zijn nu eenmaal sterk vervlochten. Bakker beschrijft hoe, naar aanleiding van de berichtgeving over Jorgensen, in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een discussie ontstond tussen voor- en tegenstanders van “transformerende ingrepen”. De Leidse psychiater en hoogleraar Eugène Carp (1895-1983) verwoordde daarbij de pathologiserende invalshoek die decennialang de houding van een groot deel van de Nederlandse psychiatrie tegenover transseksualiteit zou bepalen. Het ging volgens Carp bij transseksualiteit om een waanidee dat door psychoanalytische theorieën verklaard moest worden en waarvoor psychotherapie de aangewezen behandeling was. In de psychiatrische praktijk van die tijd werd overigens ook wel eens teruggegrepen op het toedienen van elektroshocks om trans mensen te “behandelen”.

Ondanks deze weerstand werd in de jaren vijftig heel voorzichtig een begin gemaakt met een Nederlandse transgenderzorg door de psychiater en seksuoloog Coen van Emde Boas (1904-1981). Hij wist met veel moeite een netwerk van vaak nog aarzelende behandelaars te vormen. De aanpak was heel terughoudend en conservatief: patiënten (aanvankelijk vooral vrouwen) moesten aantoonbaar geen baat meer hebben bij psychotherapie en ze moesten van tevoren al voldoende “vrouwelijk” overkomen, zodat ze na hun transitie voor cis vrouw konden doorgaan. Hoe vooruitstrevend Van Emde Boas desondanks was, blijkt wel uit het feit dat een significant deel van zijn vroege patiënten Amerikaanse trans vrouwen waren die door die andere pionier van de transgenderzorg, Harry Benjamin, waren gestuurd.

Bakker beschrijft hoe op dit prille begin een geschiedenis van ups en downs volgde. In 1966 oordeelde de Gezondheidsraad na een uitgebreid onderzoek, waarbij nul trans mensen gehoord waren, dat alleen psychotherapie een acceptabele behandeling was. Hoewel de operaties niet verboden werden, betekende dit oordeel in de praktijk dat er een voorlopig einde kwam aan de transgenderzorg. Het was de bekende progressieve arts Otto de Vaal (1916-1993) die eind jaren zestig weer met kleinschalige hulp aan trans mensen begon. Hij schreef hormonen voor en ondersteunde zijn vaak ontredderde patiënten ook op andere manieren. Hij wist de chirurg Philip Lamaker van de kliniek Beatrixoord in het Amsterdamse Oosterpark te overtuigen om operaties te doen. Om deze zorg beter te organiseren werd in 1972 de Stichting Nederlands Gender Centrum (meestal simpelweg de Genderstichting genoemd) opgericht.

De strijd om juridische erkenning bleek erg moeizaam

Bakker traceert vervolgens de ontwikkeling van het werk van de Genderstichting in de jaren zeventig en tachtig. De Genderstichting hield zich niet alleen bezig met het organiseren van medische zorg, maar spande zich ook in voor het wegnemen van juridische obstakels (wijziging van voornamen en geslacht op officiële documenten), zowel via de rechter als via de politiek. Terwijl deze strijd om juridische erkenning erg moeizaam bleek, leidden de initiatieven op medisch gebied in de loop van de jaren zeventig tot behandelcapaciteit in ziekenhuizen in Groningen, Rotterdam en Amsterdam, waarbij het ziekenhuis van de VU zich vanaf het eind van de jaren zeventig ontwikkelde tot de spil van de Nederlandse transgenderzorg. Bakker laat zien hoe het huidige landschap van behandelaars in de afgelopen veertig jaar is ontstaan.

Transgender geschiedenis omvat natuurlijk meer dan de geschiedenis van de transgenderzorg. Bakker laat ook zien hoe de beeldvorming over trans mensen is veranderd. Hoewel het frame van de zielige freaks nog lang is blijven hangen, kwam er gaandeweg in de jaren zeventig meer integere media-aandacht, waarbij trans mensen als redelijke en “gewone” mensen met een bijzonder probleem werden geportretteerd. Voor de mate van maatschappelijke acceptatie lijkt dat niet direct grote gevolgen te hebben gehad. De emancipatie ging erg moeizaam, misschien ook omdat het (tot voor kort) zo’n kleine groep betrof. Ook nu laat de acceptatie nog te wensen over. De levensverhalen van trans mensen zijn weliswaar minder tragisch geworden en een transitie hoeft inmiddels niet meer te betekenen dat je je baan kwijtraakt, maar de cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2017 zijn nog altijd niet rooskleurig, zoals Bakker terecht opmerkt.

Wat wel dramatisch is veranderd, is de mate van zelforganisatie van trans mensen. Al vanaf het begin van de jaren zeventig waren er zelfhulpgroepen die zich met travestie en transseksualiteit (T&T) bezighielden, aanvankelijk onder de vleugels van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming. In de jaren tachtig kwamen daar verschillende groepen bij, waaronder die van Humanitas, die zich meer op de sociale en psychologische problemen rond de transitie richtten dan op het organiseren van informele avonden. Toch duurde het tot de eenentwintigste eeuw voordat trans mensen hun eigen emancipatoire organisaties hadden. Bakker beschrijft het ontstaan, in 2000, van de Stichting T-Image, die door middel van culturele evenementen de beeldvorming over trans mensen wilde verbeteren. Behalve het eerste Nederlandse Transgender Filmfestival (2001) organiseerde T-Image in 2004 een landelijke conferentie voor transgender organisaties onder de naam T3. Hieruit zou een paar jaar later Transgender Netwerk Nederland voortkomen, dat aanvankelijk ook daadwerkelijk als netwerk van organisaties functioneerde. Ook COC Nederland en COC Amsterdam, die inmiddels de T aan LHB hadden toegevoegd, namen deel aan dit netwerk. Tegenwoordig is TNN de belangrijkste op emancipatie gerichte organisatie van trans mensen in Nederland. Gelieerd aan deze organisaties, maar meer activistisch en queer georiënteerd, was het collectief Noodles, dat in 2004 de Transgender Gedenkdag in Nederland introduceerde.

Een paar dingen vallen op als je de Nederlandse geschiedenis vergelijkt met bijvoorbeeld die van de VS en Frankrijk. Wat me, om te beginnen, verbaasde om te lezen was hoeveel invloed de psychiatrie heeft gehad als rem op de ontwikkeling van de transgenderzorg. Het deed me denken aan Frankrijk, waar de psychoanalyse tot voor kort dieper geworteld was dan waar dan ook. Daar schreef de vooraanstaande psychoanalytica Catherine Millot, volgeling en maîtresse van de transfobe psychiater Jacques Lacan, in 1983 de tekst Horsexe. Met dit transfobe essay was de toon van het psychiatrische discours over transseksualiteit voor decennia gezet. Ook in Nederland, zoals ik eerder al aanstipte, hadden veel psychiaters moeite met transseksualiteit. Nog afgezien van die elektroshocks, waarbij het nog de vraag is hoe vaak die werden toegepast en of dat zonder instemming van de patiënt gebeurde, is het duidelijk dat psychiaters in de jaren zestig en zeventig veel schade hebben toegebracht aan trans mensen. Nog in 2003 verscheen een artikel (in het Nederlandse vakblad Psy en in American Journal of Psychiatry) van een Nederlandse psychiater waarin een verband gelegd werd tussen transgender gevoelens en geestesziekte. De auteur had namelijk een enquête onder Nederlandse psychiaters gehouden en zij beaamden dat transseksualiteit in de helft van de gevallen op een psychiatrische stoornis berustte.

The Transsexual Empire werd in de Volkskrant een ‘uitstekend betoog’ genoemd

Wat me verder opviel was dat het feminisme ook in Nederland niet zo heldhaftig is geweest waar het trans mensen betreft. In het boek komen verschillende incidenten en uitspraken voor die laten zien dat trans mensen niet altijd welkom waren in feministische kringen in de jaren zeventig en tachtig en vaak vijandig bejegend werden. Trans mannen waren “verraders” van de vrouwenbeweging en trans vrouwen waren “eigenlijk mannen” en daarom alleen al niet welkom. Bakker wijst er ook op dat het transfobe pamflet The Transsexual Empire (1979) door Jeanne Doomen in een artikel in nota bene de Volkskrant een ‘uitstekend betoog’ werd genoemd. In dezelfde periode verscheen een lang tendentieus artikel over ‘sekseverandering’ van Emma Brunt in de Haagse Post. Het zou interessant zijn om die lastige geschiedenis van trans mensen en het feminisme wat verder uit te diepen. Ik kan me voorstellen dat er net als in de VS ook in Nederland tijdens de tweede golf wel feministes zijn geweest die het voor trans mensen opnamen en vonden dat trans vrouwen gewoon thuishoorden in de vrouwenbeweging.

Een opvallend verschil met andere landen is het doorgaans weinig militante karakter van trans organisaties in Nederland. Parijs werd al in de vroege jaren zeventig opgeschrikt door Les Gazolines, een collectief van trans vrouwen, cis vrouwen en drag queens, dat tijdens demonstraties en andere acties spotte met masculiniteit en gendernormen. De serieuze homoactivisten en linkse militanten zaten met deze subversieve oproerkraaiers in de eigen gelederen behoorlijk in hun maag. Meer direct op trans emancipatie gerichte groepen ontstonden in Frankrijk in de jaren negentig en hun toon was steeds radicaal en uitgesproken politiek, waarbij de teksten vaak scherpe sociale analyses bevatten over kapitalisme, racisme en homofobie. Vaak ging het om mensen die al geradicaliseerd waren binnen het aids-activisme van groepen als ACT-UP-Paris. In Amerika zag je in de jaren negentig vergelijkbare organisaties, die ook daar uit het aids-activisme en de radicale queerbeweging waren voortgekomen. Dat trans organisaties in Nederland later zijn ontstaan en minder confronterende tactieken gebruikten, heeft waarschijnlijk iets te maken met de Nederlandse politieke cultuur, waarin nu eenmaal eerder gepolderd dan gestaakt wordt.

Voor mij was Transgender in Nederland een heel stimulerend boek om te lezen. Het is ook goed geschreven en levendig van opzet. Het verhaal wordt steeds geïllustreerd met autobiografische teksten van trans mensen die actief waren in de beschreven periode. Het boek bevat bovendien een aantal mooie portretfoto’s in kleur van dezelfde mensen. Ik hoop dat dit boek het begin is van meer onderzoek naar de geschiedenis van trans mensen en transgenderzorg in Nederland. Bij mij zijn in ieder geval genoeg nieuwe vragen opgekomen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s